Sci-fly: Een kind dat niet wil eten en een moeder die dwingt te eten: Wie beïnvloedt wie?

Kieskeurig eetgedrag komt veel voor bij jonge kinderen. Ze lusten maar een beperkt aantal producten, en iets nieuws proberen? Ho maar! Dit eetgedrag kan bij ouders voor frustratie zorgen, maar ook voor ongerustheid over de gezondheid van hun kind. Het is echter nog niet bekend waarom deze twee gedragingen aan elkaar gerelateerd zijn. Lokt het kieskeurige eetgedrag deze ouderlijke controle uit? Of worden kinderen kieskeuriger naarmate ouders meer druk uitoefenen om te eten?

Child Eats Vegetables. Summer Photo. Selective Focus

Deze studie onderzocht of kieskeurig eetgedrag van kinderen gerelateerd was aan meer ouderlijke druk om te eten bij moeders, en of ouderlijke druk bij moeders op zijn beurt meer kieskeurig eetgedrag bij kinderen voorspelde. Uit de resultaten bleek beide het geval te zijn. De onderzoekers concludeerden dat moeder en kind elkaars gedrag rondom kieskeurig eten wederzijds beïnvloedden, en daarmee versterken. Hoewel ouders waarschijnlijk met goede bedoelingen hun kind dwingen om te eten, lijkt dit op langere termijn een averechts effect te hebben. Daarom zouden ouders gestimuleerd moeten worden om op een andere manier met het kieskeurige eetgedrag van kun kind om te gaan. De onderzoekers adviseerden om hier specifieke adviezen voor te ontwikkelen.

In dit Nederlandse onderzoek deden 4845 moeder-kind duo’s mee. Moeders vulden op vier momenten vragenlijsten in. Toen kinderen 1.5, 3, 4 en 6 jaar oud waren, vulden moeders vragen in over het eetgedrag van hun kind. Op 4-jarige leeftijd, vulden moeders ook een vragenlijst in naar ouderlijke druk om te eten.


  • Kieskeurig eetgedrag bij kinderen op 1.5-jarige leeftijd voorspelde meer ouderlijke druk om te eten bij moeders tweeënhalf jaar later.
  • Kieskeurig eetgedrag bij kinderen op 3-jarige leeftijd voorspelde ook meer ouderlijke druk om te eten bij moeders één jaar later.
  • Het gebruik van ouderlijke druk om te eten bij moeders op 4-jarige leeftijd (van het kind), voorspelde meer kieskeurig eetgedrag bij het kind twee jaar later.

Jansen, P. W., de Barse, L. M., Jaddoe, V. W. V., Verhulst, F. C., Franco, O. H., & Tiemeier, H. (2017). Bi-directional associations between child fussy eating and parents’ pressure to eat: Who influences whom? Physiology & Behavior, 176, 101-106.

Deze Sci-Fly werd geschreven door Desi Beckers (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Growing in the face of challenge: What the COVID-19 pandemic can teach us about reducing substance use?

The COVID-19 pandemic has affected everyone in one way or another. These global events can flood us with uncertainty and can challenge our world-views. Naturally, the pandemic has forced us to re-organize our life priorities – health being the number one. Most research about disaster events has focused on the relationship with negative consequences, such as negative emotions, mental health disorders (post-traumatic stress disorder (PTSD), anxiety and depression), and increases in substance use1–3. It can’t be denied that negative consequences are important and should not be overlooked. But is it all there is to it? For example, highly stressful life experiences can also bring a new sense of meaning to life. Could a life-crisis result in a new lifestyle that discourages maladaptive behaviours such as substance use?


Posttraumatic growth (PTG) describes the phenomenon in which critical life experiences result in (positive) transformation4,5. This concept does not contradict the hardships of stressful life events; it highlights the potential for positive change that can co-exist in a critical situation. To experience this growth, an individual would have to perceive a threat, an “inflection point”, in which his or her established set of schemas do not longer suffice. It goes beyond returning to a pre-crisis state, but it is about experiencing meaningful development. This idea of growth after stress is very attractive, but you may wonder whether this remains a philosophical suggestion or whether empirical studies can support the growth of vulnerable individuals amid challenging life events.

PTG is a relatively new concept in psychological research. Overall, it can be measured by five domains of growth5: a) gratitude and alteration of life priorities; b) greater relationship quality; c) increases in perception of personal strength; d) acknowledgement of new opportunities; and e) engagement in existential questions. Post-traumatic growth has been explored mainly in connection with general psychological well-being and adjustment after highly stressful life events. Not many studies have looked into the association between the mentioned domains of growth and substance use. However, there are some indications of a relationship between stressful life events, PTG, and a decrease in problematic substance use.

Some research has explored the positive impact of stressful events in substance use in at-risk populations6. For example, qualitative interviews of ex-smokers smoking have described to be “at a critical” point in their lives when they quitted 7. Furthermore, a very large study of 4569 young adults found that experiencing stressful events was associated with decreases in alcohol use mainly for dependent drinkers8. These stressful life events could have acted as a “critical transition point” for them. However, as they did not measure PTG per se, the interpretation remains speculative. Interestingly, a two-year study in adolescents at risk for maladaptive behaviours applied a PTG scale to quantify the relationship between amount of stressful-life events, PTG and substance use6. They did find that higher stressful events were associated with increased substance use in adolescence; however, those who could find positive change in life altering events were more protected against problematic alcohol and cannabis use.

Finally, some preliminary results about general COVID-19 mental health and positive appraisal supports this idea for mental health generally9. A positive evaluation of these events appear to protect against psychological distress amid the COVID-19 pandemic. Particularly, those who reported that they could learn and change for the better, both personally and as a society, preserved a good mental health during the first weeks of the European Corona lockdown. We still need to determine whether this same mechanism can apply to substance use behaviour specifically for the COVID-19 pandemic, although the described literature does provide some indications.

To summarize, our ability to learn from a specific, life-altering, event may influence how we modify unhealthy patterns (such as decreasing substance use). Yet, this stressful experience may have to provide a critical transition point, and “eye-opening” experiences for those engaged in substance use. It might not be about the accumulation of stressful life events in itself, but about how that particular event has shaken your life views and has presently impacted you. Now it may be your job to find personal meaning in this corona situation and ask yourself some tough questions!

This blog was written by Milagros Rubio (Radboud University) for RAD-blog, the blog about smoking, alcohol, drugs and diet.

1. Wu P, Liu X, Fang Y, et al. Alcohol abuse/dependence symptoms among hospital employees exposed to a SARS outbreak. Alcohol Alcohol. 2008;43(6):706-712. doi:10.1093/alcalc/agn073
2. Lau JTF, Yang X, Pang E, Tsui HY, Wong E, Yun KW. SARS-related perceptions in Hong Kong. Emerg Infect Dis. 2005;11(3):417-424. doi:10.3201/eid1103.040675
3. Brooks SK, Webster RK, Smith LE, et al. The psychological impact of quarantine and how to reduce it: rapid review of the evidence. Lancet. 2020;395(10227):912-920. doi:10.1016/S0140-6736(20)30460-8
4. Tedeschi RG, Calhoun LG. The posttraumatic growth inventory: Measuring the positive legacy of trauma. J Trauma Stress. 1996;9(3):455-471. doi:10.1002/jts.2490090305
5. Tedeschi RG, Calhoun LG. Posttraumatic Growth : Conceptual Foundations and Empirical Evidence ” Posttraumatic Growth : A Developmental Perspective. Psychol Inq. 2004;15(1):1-18. doi:10.1207/s15327965pli1501
6. Arpawong TE, Sussman S, Milam JE, et al. Posttraumatic growth, stressful life events, and relationship with substance use behaviors among alternative high school students: a prospective study. Psychol Heal. 2015;30(4):475-494. doi:10.1080/08870446.2014.979171
7. Tsourtos G, Ward PR, Muller R, et al. The importance of resilience and stress to maintaining smoking abstinence and cessation: A qualitative study in Australia with people diagnosed with depression. Heal Soc Care Community. 2011;19(3):299-306. doi:10.1111/j.1365-2524.2010.00973.x
8. Hoyland MA, Latendresse SJ. Stressful life events influence transitions among latent classes of alcohol use. Psychol Addict Behav. 2018;32(7):727-737. doi:10.1037/adb0000412
9. Veer IM, Riepenhausen A, Zerban M, Wackerhagen C, Hajduk M. Mental resilience in the Corona lockdown : First empirical insights from Europe. :1-15.

Sci-fly: Wat doen sociaal isolement en eenzaamheid met onze leefstijl?

De coronapandemie dwingt ons tot een beperking van sociale contacten en dit kan gepaard gaan met een eenzaam gevoel. Op termijn kunnen sociaal isolement en eenzaamheid leiden tot serieuze gezondheidsproblemen, zoals depressieve klachten, een verhoogde bloeddruk en slaapproblemen. Sociale relaties kunnen ons gezondheidsgedrag op twee manieren beïnvloeden. Enerzijds positief: door het delen van kennis over een gezonde leefstijl en sociale controle wordt het makkelijker om gezond gedrag vol te houden. Anderzijds negatief: sociale relaties die ongezond gedrag stimuleren, zoals vrienden die elkaar “aansteken” om te gaan roken. Met name in achterstandswijken kan het relevant zijn om de rol van sociaal isolement en eenzaamheid op leefstijl te onderzoeken, aangezien ongezond gedrag vaker voorkomt bij inwoners van achterstandswijken vergeleken met inwoners van andere wijken. Onderstaande Deense studie verdiepte zich hierin!

De huidige studie liet zien dat sociaal isolement en eenzaamheid in achterstandswijken geassocieerd waren met een hogere kans op ongezond gedrag (lage groente- en fruitconsumptie, dagelijks roken en fysieke inactiviteit). Sociaal isolement en eenzaamheid gingen in deze studie niet gepaard met een hoge alcoholconsumptie.

Het is belangrijk dat strategieën om sociaal isolement en eenzaamheid te verminderen worden geïntegreerd in bestaande gezondheidsinterventies voor inwoners van achterstandswijken. Uit een eerdere studie bleek dat groepsinterventies (educatieve en sociale activiteiten gericht op specifieke groepen) behulpzaam zijn bij het voorkomen van sociaal isolement en eenzaamheid.

Het doel van deze Deense studie was om meer inzicht te krijgen in:
A. Sociaal isolement en eenzaamheid onder bewoners van achterstandswijken in vergelijking met de algemene bevolking
B. De samenhang tussen sociaal isolement, eenzaamheid en een ongezonde leefstijl

Om de onderzoeksvraag te kunnen beantwoorden werd gebruik gemaakt van twee databases:
1. Achterstandswijken gezondheidsprofiel vragenlijst, deze vragenlijst werd ingevuld door 5.113 bewoners van achterstandswijken in 2011.
2. Deense gezondheid en ziekte vragenlijst, deze vragenlijst werd ingevuld door 14.686 volwassenen in 2010 (algemene bevolking).

De uitkomstmaat sociaal isolement was gebaseerd op een zogenoemde netwerkindex, een instrument waarmee het sociale netwerk van een respondent in kaart wordt gebracht. De scores van deze sociale netwerkindex varieerden tussen 0 en 4 en werden gecategoriseerd in “sociaal geïsoleerd” (score 0-2) en “niet-sociaal geïsoleerd” (score 3-4). Eenzaamheid werd bepaald door de vraag: “Ben je ooit alleen, terwijl je liever samen bent met andere mensen?”. Antwoordopties bij deze vraag waren “Ja, vaak”, “Ja, soms”, “Ja, zelden” en “Nee”, deze antwoorden werden gecategoriseerd in “eenzaam” (vaak) en “niet-eenzaam” (soms, zelden, nee). Ongezond gedrag werd gemeten aan de hand van vier indicatoren: beperkte groente- en fruitconsumptie, dagelijks roken, hoge alcoholconsumptie en lichamelijke inactiviteit. In de analyses werden sociaal isolement en eenzaamheid uitgezet tegen sociaal demografische factoren en de vier leefstijlindicatoren.


Afbeelding sci-fly Pauline

A. Achterstandswijken in vergelijking met de algemene bevolking

  • Sociaal isolement kwam significant vaker voor bij inwoners:
    • met een migratieachtergrond (22%) in vergelijking met inwoners zonder migratieachtergrond (17%)
    • zonder een baan (22%) in vergelijking met inwoners met een baan (11%)
    • met een lage sociaal economische status (SES) (25%) in vergelijking met inwoners met een gemiddelde of hoge SES (16%)
  • Eenzaamheid kwam significant vaker voor bij inwoners:
    • met een migratieachtergrond (10%) in vergelijking met inwoners zonder migratieachtergrond (8%)
    • zonder een baan (11%) in vergelijking met inwoners met een baan (5%)
    • met een lage SES (12%) in vergelijking met inwoners met een gemiddelde of hoge SES (5%)

B. De samenhang met een ongezonde leefstijl

  • Sociaal geïsoleerde inwoners:
    • aten significant minder groente en fruit (13%) dan niet-sociaal geïsoleerde inwoners (6%)
    • rookten significant vaker dagelijks (45%) dan niet-sociaal geïsoleerde inwoners (37%)
    • waren significant vaker fysiek inactief (30%) dan niet-sociaal geïsoleerde inwoners (17%)
  • Eenzame inwoners:
    • aten significant minder groente en fruit (16%) dan niet-eenzame inwoners (7%)
    • rookten significant vaker dagelijks (49%) dan niet-eenzame inwoners (37%)
    • waren significant vaker fysiek inactief (34%) dan niet-eenzame inwoners (18%)
  • Een hoge alcoholconsumptie (meer dan 14 glazen per week voor vrouwen en meer dan 21 glazen per week voor mannen) was niet geassocieerd met sociaal isolement en eenzaamheid.

Algren, M.H., Ekholm, O., Nielsen, L., Ersbøll, A.K., Bak, C.K., Andersen, P.T. (2020). Social isolation, loneliness, socioeconomic status, and health-risk behaviour in deprived neighbourhoods in Denmark: A cross-sectional study. SSM Population Health, 10, 100546.

Deze sci-fly werd geschreven door Pauline Geuijen (Radboudumc) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Na corona nu een middelengebruik pandemie?

Hoewel wetenschappelijk bewijs nog ontbreekt (onderzoek loopt tenslotte per definitie achter de feiten aan) zijn er aanwijzingen dat de coronacrisis impact heeft op ons rook- en drinkgedrag. Er zijn twee mogelijke scenario’s: 1) we gebruiken minder omdat we ons minder vaak in sociale situaties bevinden waarin we voorheen rookten en dronken, of 2) we gebruiken meer omdat we meer stress en verveling ervaren die we te lijf gaan met alcohol en tabak. Aangezien dit tegengestelde processen zijn zou je netto geen toename moeten zien in middelengebruik; en inderdaad laten de verkoopcijfers van tabak en alcohol geen duidelijke trend in één richting zien.

Niks om je zorgen over te maken dus? Misschien toch wel, als je bedenkt dat ook matig gebruik van tabak en alcohol je immuunsysteem aantasten. Ook is het waarschijnlijk dat er groepen zijn die substantieel meer gaan gebruiken. Tijdens de SARS-epidemie constateerden wetenschappers bijvoorbeeld een toename in alcoholmisbruik en –afhankelijkheid onder het ziekenhuispersoneel dat onder grote druk stond1. Ook na een ander groot collectief trauma, namelijk de aanslag op het WTC in New York in 2001, was er een toename in het aantal mensen dat grote hoeveelheden alcohol in één keer dronk.2 Ondanks dat er minder gegevens beschikbaar zijn over het effect van crisis op rookgedrag, is het plausibel dat in ieder geval een deel van de (ex-)rokers meer gaat roken in crisisperiodes, aangezien stress geassocieerd is met roken3.

De wetenschappelijke literatuur beschrijft een aantal processen die waarschijnlijk ten grondslag liggen aan deze relatie tussen stress en middelengebruik. Ten eerste kun je genetisch kwetsbaar zijn voor middelengebruik, en stressvolle gebeurtenissen kunnen die kwetsbaarheid ‘triggeren’. Ook het beloningssysteem in het brein speelt daarbij een rol; alcohol heeft bijvoorbeeld invloed op hoe stress wordt verwerkt in de hersenen4. Ten tweede speelt de uitputting van wilskracht een belangrijke rol. Als je je wilskracht vergelijkt met een spier, kun je je voorstellen dat die op gegeven moment moe wordt als je teveel wilskracht moet aanwenden in je dagelijks leven5, bijvoorbeeld om je aan de quarantaine voorschriften te houden. Een alternatief idee is dat stress leidt tot verschuivingen in motivatie, aandacht, en emotie waardoor je minder geneigd ben tot dingen die je moet doen, en meer geneigd bent tot dingen die je wilt doen, zoals hieronder weergegeven6.

7-5_zelfcontrole_modelMaar: er is ook goed nieuws. In de theoretische modellen over wilskracht en zelfcontrole is herstel een belangrijke component. Als stress afneemt zal de wilskracht vanzelf weer opladen, net zoals spieren herstellen na inspanning. Ook kun je je voorstellen dat veranderingen in de situatie vanzelf de raderen van motivatie, emotie, en aandacht weer de andere kant op zullen draaien. Met andere woorden: veel van de mensen die nu een toename laten zien in rook- en drinkgedrag zullen dat zelfstandig weer terug weten te brengen als de coronacrisis onder controle is. De boodschap die we van zoveel kanten horen en ook nu weer geldt is dan: houd vol en houd moed.

Deze blog werd geschreven door Joëlle Pasman (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

1. Wu, P., Liu, X., Fang, Y., Fan, B., Fuller, C. J., Guan, Z., … & Litvak, I. J. (2008). Alcohol abuse/dependence symptoms among hospital employees exposed to a SARS outbreak. Alcohol & Alcoholism, 43(6), 706-712.
2. Welch, A. E., Caramanica, K., Maslow, C. B., Cone, J. E., Farfel, M. R., Keyes, K. M., … & Hasin, D. S. (2014). Frequent binge drinking five to six years after exposure to 9/11: findings from the World Trade Center Health Registry. Drug and Alcohol Dependence, 140, 1-7.
3. Finkelstein, D. M., Kubzansky, L. D., & Goodman, E. (2006). Social status, stress, and adolescent smoking. Journal of Adolescent Health, 39(5), 678-685.
4. Wand G. (2008). The influence of stress on the transition from drug use to addiction. Alcohol Research & Health: The Journal of the National Institute on Alcohol Abuse and Alcoholism, 31(2), 119–136.
5. Muraven, M., & Baumeister, R. F. (2000). Self-regulation and depletion of limited resources: Does self-control resemble a muscle?. Psychological Bulletin, 126(2), 247.
6. Inzlicht, M., Schmeichel, B. J., & Macrae, C. N. (2014). Why self-control seems (but may not be) limited. Trends in Cognitive Sciences, 18(3), 127-133.

Sci-Fly: Is het eetgedrag van jongeren gerelateerd aan het eetgedrag van hun moeders of beste vrienden?

Jongeren staan over het algemeen niet bekend om hun gezonde eetgedrag. Zo blijkt bijvoorbeeld dat veel Nederlandse jongeren de aanbevolen hoeveelheid groente- en fruitconsumptie in geen velden of wegen halen. In een poging gezonde eetpatronen te bevorderen hebben onderzoekers zich gebogen over de factoren die van invloed zijn op het eetgedrag van jongeren. Uit eerder onderzoek is gebleken dat de sociale omgeving zo’n belangrijke factor kan zijn. Het is echter nog onbekend welke personen uit die sociale omgeving nu van het grootste belang zijn voor jongeren: moeders of beste vrienden? Nederlandse wetenschappers (waaronder RAD-bloggers Nina van den Broek, Junilla Larsen en Jacqueline Vink) zochten het uit!

Schermafbeelding 2020-04-20 om 13.19.30

In deze studie werd onderzocht of het gezonde en ongezonde eetgedrag van jongeren is gerelateerd aan het eetgedrag van hun moeders en/of beste vrienden. Uit de resultaten bleek dat jongeren meer overeenkomsten laten zien met het eetgedrag van hun moeders dan met het eetgedrag van hun beste vrienden, zowel als het gaat om het eten van gezonde als ongezonde producten. Dit was met name het geval voor de producten die jongeren vanuit thuis krijgen of pakken. Daarbij speelde de mate van blootstelling aan het eetgedrag van moeders een rol. Moeders lijken dus belangrijk als het gaat om het eetgedrag van jongeren. Daarom zouden zij zich bewuster kunnen worden van hun invloed op de eetpatronen van hun kind.

In deze studie vulden 667 Nederlandse jongeren (gemiddelde leeftijd: 12,9 jaar) op hun school vragenlijsten in over de frequentie van inname van gezonde (bijv. fruit en groente) en ongezonde (bijv. zoete frisdranken en zoete en vetrijke snacks) producten. Daarnaast vulden 396 van hun moeders thuis vragenlijsten in over hun eigen eetgedrag, apart voor de inname in het bijzijn en de afwezigheid van hun kind. De jongeren identificeerden bovendien hun best vriend in de klas. Van de jongeren die door hun beste vriend geïdentificeerd waren, deden er 378 mee aan dit onderzoek. De jongeren gaven aan hoe vaak zij met deze beste vriend samen tijdens de pauze eten en drinken.

– Het gezonde eetgedrag van jongeren was gerelateerd aan het gezonde eetgedrag van hun moeders, zowel wanneer het eten vanuit thuis als vanuit buiten het huis was verkregen.
– Wanneer jongeren vaker werden blootgesteld aan het gezonde eetgedrag van hun moeders, waren de overeenkomsten in gezond eetgedrag nog groter.
– Het ongezonde eetgedrag van jongeren was ook gerelateerd aan het ongezonde eetgedrag van hun moeders, dit keer enkel wanneer het eten vanuit thuis was verkregen. De mate van blootstelling speelde in dit geval geen rol.
– Er werden geen associaties met het eetgedrag van beste vrienden gevonden voor de gehele groep jongeren.
– Wel bleek een hoge mate van blootstelling aan beste vrienden die weinig ongezonde snacks consumeerden gerelateerd aan het eten van minder ongezonde snacks die vanuit buiten het huis waren verkregen.

Van den Broek, N., Larsen, J. K., Verhagen, M., Burk, W.J., & Vink, J. M. (2020). Is adolescents’ food intake associated with exposure to the food Intake of their mothers and best friends? Nutrients, 12, 786.

Het originele wetenschappelijke artikel kan gratis gelezen worden via de volgende link:

Deze sci-fly werd geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Waarom drink jij? – en waarom drinkmotieven belangrijk zijn, juist nu

De motivatie om een glas alcohol te drinken is belangrijk om te kunnen bevatten waarom we überhaupt een glas wijn of een biertje drinken. Het motivationele model van alcoholgebruik beschrijft dat we drinken omdat we een verandering willen in hoe we ons voelen.1 Motieven of redenen waarom we drinken worden verdeeld op basis van 1) een toename in positieve emoties en een afname van negatieve emoties en 2) interne veranderingen (bijvoorbeeld jezelf beter voelen) en externe veranderingen (bijvoorbeeld dat je mee kan doen met je vrienden). Dit resulteert breed genomen in vier motieven om te drinken.2

1) Sociaal drinken. Het meeste onderzoek over drinkmotieven is gedaan onder adolescenten en jongvolwassenen. Een terugkerend resultaat onder verschillende leeftijden en culturen is dat jongeren en jongvolwassen vooral drinken uit sociale beweegredenen, het sociale motief. Denk hierbij aan het idee dat feestjes gezelliger worden of uitgaan leuker wordt door te drinken. Sociaal drinken gaat er dus om dat de tijd die je doorbrengt met vrienden leuker wordt.

2) Drinken om je  ‘aan te passen’ aan anderen, ook wel het conformiteitsmotief genoemd. Het gaat erom dat mensen drinken omdat de mensen om hun heen het ook doen – en om erbij te horen. Mensen die om deze reden drinken, drinken veelal matig, omdat zij vaak een klein slokje drinken omdat ‘het zo hoort’. Denk bijvoorbeeld aan een klein slokje champagne tijdens het inluiden van het nieuwe jaar.

3) Drinken om de roes te voelen, het enhancement motief. Hierbij drinken mensen voor de lol die alcohol hun brengt. Denk bijvoorbeeld aan dat je drinkt om meer energie te krijgen, of dat je drinkt om het rozige effect van alcohol te voelen. Dit motief wordt vaak in verband gebracht bij mensen met extroverte en impulsieve persoonskenmerken – en bij mensen die sensatie zoeken. Dit motief is vaak in verband gebracht met zwaar drinken, net als het volgende motief.

4) Drinken om problemen te vergeten, ook wel het copingmotief genoemd. Mensen drinken dan alcohol om om te gaan met moeilijkheden in het leven doordat zij  bijvoorbeeld angstige of  depressieve gevolens hebben. Alcohol wordt hierbij gebruikt als ‘zelfmedicatie’ en zorgt voor een tijdelijke verlichting. Ondanks dat dit effectief wordt bevonden op de korte termijn, kan dit juist de problemen die aan het alcoholgebruik ten grondslag liggen in stand houden of verergeren. De problemen bestaan immers nog wanneer je de volgende dag opstaat.

Maar wat zegt dit?
Het motivationele model is ontwikkeld om de motieven van zware drinkers te ontdekken, evenals het verklaren van alcoholgebruik van verschillende type drinkers.3 Een kanttekening hierbij is dat onderzoek naar motieven vooral gebaseerd is op het alcoholgebruik onder adolescenten en jongvolwassenen.4 Drinkmotieven worden in de klinische praktijk gebruikt om interventies beter aan te laten sluiten op het achterliggende motief van het alcoholgebruik van iemand. Daarnaast kunnen motieven je eigen alcoholgebruik verklaren. Bijvoorbeeld door de volgende keer voordat dat je een biertje of wijntje drinkt jezelf de vraag te stellen: “waarom doe ik dit eigenlijk?”.

radblog koen foto

Waarom zijn drinkmotieven juist nu belangrijk?
Het is interessant om te bedenken hoe – ten tijde van corona- de bovenstaande drinkmotieven (of type drinkers) meer of minder van toepassing zijn. Omdat de meerderheid van ons nu in sociale isolatie zitten, zal sociaal drinken buitenshuis minder vaak voorkomen, wellicht uitgezonderd van de online borrelsessies onder vrienden. Ook kan het nu erg verleidelijk zijn om een extra glas te pakken om de stress te vergeten (coping drinkmotief). Wanneer je je bijvoorbeeld realiseert dat je drinkt vanwege het verlichten van stress, of voor het verminderen van verveling bestaat de kans dat je sneller en vaker een glas pakt.

Ten slotte wordt er in deze periode door verschillende gezondheidsinstanties, kennisinstituten en media opgeroepen tot het bewustzijn rondom verslavende middelen zoals drugs, tabak en alcohol. Klik op de links voor praktische tips.

Deze blog werd geschreven door Koen Smit (La Trobe University / Trimbos Instituut / Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

1. Cox, W. M., & Klinger, E. (1990). Incentive motivation, affective change, and alcohol use: A model. In W. M. Cox (Ed.), Why people drink. Parameters of alcohol as a reinforcer (pp. 291 – 314). New York: Gardner Press.
2. Cooper, M. L. (1994). Motivations for alcohol use among adolescents: Development and validation of a four-factor model. Psychological Assessment, 6, 117–128.
3. Cooper, M. L., Kuntsche, E., Levitt, A., Barber, L. L, & Wolf, S. (2016). Motivational models of substance use: A review of theory and research on motives for using alcohol, marijuana, and tobacco. In K. J. Sher (Ed.), ​The Oxford handbook of substance use and substance use disorders (p. 375–421). Oxford University Press.
4. Kuntsche, E., Knibbe, R., Gmel, G., & Engels, R. (2005). Why do young people drink? A review of drinking motives. Clinical psychology review25(7), 841-861.

Hoe betrek je ouders bij gezondheidsinterventies?

Gezondheidsinterventies zijn enkel effectief als ze de doelgroep bereiken waarvoor de interventie ontwikkeld is. Interventies voor jeugd betrekken vaak (ook) ouders in hun doelgroep. Zij zijn immers degenen die de gezondheid van hun kind monitoren en vormen via hun opvoeding en voorbeeldgedrag. Desalniettemin is de ouderbetrokkenheid bij gezondheidsbevorderingsprogramma’s over het algemeen laag.1,2 Het achterhalen van succesfactoren voor het bereiken en betrekken van ouders is daarom een cruciaal onderdeel in het ontwikkelen van effectieve interventies. In deze blog delen we onze inzichten over het stimuleren van ouderbetrokkenheid vanuit een recente themabijeenkomst waarbij professionals werkzaam bij universiteiten, hogescholen en gezondheidsinstellingen (zoals GGD’s en het Voedingscentrum) aanwezig waren.


Wat werkt?
Een eerste stap in het succesvol bereiken van ouders is het inhaken bij problemen of behoeften die zij ervaren. Niet voor niets is de needs assessment van de doelgroep het uitgangspunt voor interventieontwikkeling volgens het Intervention Mapping Protocol.3 Het moet voor ouders duidelijk zijn wat zij uit de interventie kunnen halen. Zet bij het benaderen van ouders de persoonlijke relevantie voor het interventieprogramma daarom centraal. Bij preventieve interventies kan het inhaken bij ervaren problemen een uitdaging zijn, omdat je ouders moet motiveren voor deelname aan een interventie voor een probleem dat nog niet bestaat.1,4 Zeker in dat geval kan het helpen om in de interventie te focussen op plezier tussen ouder en kind. Maak meedoen leuk en gezellig en faciliteer waar mogelijk dat zowel ouders als kinderen actief meedoen aan het interventieprogramma. Voorbeelden zijn samen dansen en zingen (met peuters) en gezamenlijke beweegchallenges met het gezin (bij kinderen op de basisschool). Maak meedoen bovendien gemakkelijk en toegankelijk. Zorg ervoor dat werving- en interventiematerialen naast aansprekend, ook eenvoudig te begrijpen zijn. Zo wordt het mogelijk ook ouders uit kwetsbare groepen bij de interventie te betrekken. Het zijn namelijk vaak de risicofactoren voor gezondheidsproblematiek (o.a. een lage sociaaleconomische positie en laaggeletterdheid) die samenhangen met een verlaagde kans dat ouders participeren in interventieprogramma’s. 2 Wat betreft toegankelijkheid kan het helpen om gebruik te maken van momenten waarop ouders toch al aanwezig moeten zijn voor (of met) hun kind. Denk hierbij aan ouderavonden, informatiebijeenkomsten en controleafspraken, waarin informatie specifiek voor dat moment wordt gekoppeld met informatie uit de interventie. Dit sluit tevens aan bij ons laatste inzicht: zoek aansluiting bij bestaande structuren. Bed de interventie in bij erkende programma’s of breng deze onder bij voor ouders bekende organisaties. Liefst zijn vanuit deze structuren personen beschikbaar die voldoende tijd hebben om zich in te zetten voor ouderbetrokkenheid en al in contact staan met ouders: zogenoemde sleutelfiguren. Denk bijvoorbeeld aan pedagogisch medewerkers indien de interventie plaatsvindt op de kinderopvang. Of leerkrachten en mentoren wanneer het gaat om een interventie op school. Vanuit hun band met ouders beschikken sleutelfiguren over kennis van de gezinssituatie en kunnen daardoor effectief inhaken bij de problemen of behoeften die de ouder ervaart.

Tot slot
Uit recent onderzoek bleek dat het aansluiten bij bestaande structuren in combinatie met focussen op spel en plezier een effectieve manier was om te zorgen dat ouders zich opgaven voor een opvoedinterventie.5  In hoeverre deze factoren er ook aan bijdragen dat ouders mee blijven doen met het programma en er wat van leren, moet apart worden bekeken. De factoren die ervoor zorgen dat ouders zich opgeven (‘enrollment’) zijn namelijk niet per definitie dezelfde als de factoren die ervoor zorgen dat zij gedurende het programma blijven participeren (‘retention’) en dat zij hetgeen ze in de interventie geleerd hebben ook daadwerkelijk toepassen in het dagelijks leven (‘involvement’).5 Interventies die meer ouders bij hun programma willen gaan betrekken doen er daarom goed aan om hierin onderscheid te maken in de verschillende facetten van ouderbetrokkenheid.

Deze blog werd geschreven door Levie Karssen (junior onderzoeker aan de Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

1. Garvey, C., Julion, W., Fogg, L., Kratovil, A., & Gross, D. (2006). Measuring participation in a prevention trial with parents of young children. Research in Nursing & Health, 29, 212–222. https://doi. org/10.1002/nur.20127
2. Axford, N., Lehtonen, M., Kaoukji, D., Tobin, K., & Berry, V. (2012). Engaging parents in parenting programs: Lessons from research and practice. Children and Youth Services Review, 34, 2061–2071.
3. Eldredge, L. K. B., Markham, C. M., Ruiter, R. A., Fernández, M. E., Kok, G., & Parcel, G. S. (2016). Planning health promotion programs: an intervention mapping approach. John Wiley & Sons.
4. Whittaker, K. A., & Cowley, S. (2010). An effective programme is not enough: A review of factors associated with poor attendance and engagement with parenting support programmes. Children and Society, 26, 138–149. 00333.x
5. Hackworth, N. J., Matthews, J., Westrupp, E. M., Nguyen, C., Phan, T., Scicluna, A., … & Nicholson, J. M. (2018). What influences parental engagement in early intervention? Parent, program and community predictors of enrolment, retention and involvement. Prevention Science19(7), 880-893.

De “Kiss Better” campagne

Stoppen met roken interventies voor jongeren zijn schaars. Dit is best gek als je bedenkt dat het merendeel van de rokers is begonnen met roken tijdens de adolescentie.1 Cijfers laten zien dat er zelfs een lichte stijging is van het aantal rokers bij jongeren tussen de 16 en 25 jaar.2,3 Ook weten we dat hoe eerder iemand begint met roken, des te groter de afhankelijkheid op latere leeftijd.4 Het is dus van groot belang dat er interventies ontwikkeld worden die jongeren helpen stoppen met roken.

In mijn zoektocht naar mogelijke interventies voor jongeren, stuitte ik via een collega vanuit het Trimbos Instituut (Claire de Neree) op een Campagne in de stad Odense in Denemarken genaamd Kiss Better ofwel KysBedre in het Deens. De insteek van deze campagne vond ik erg leuk en daarom wil ik deze graag met jullie delen.


De campagne is ontwikkeld onder leiding van Anette Stensgaard als onderdeel van Odense Smokefree, ofwel het rookvrij maken van Odense. Om dit te bewerkstelligen zijn de onderzoekers in gesprek gegaan met rokende en niet-rokende jongeren. Uit deze focus groepen bleek o.a. dat jongeren het vies vinden om te zoenen met iemand die rookt (als je zelf niet rookt). Ook bleek dat de rokende jongeren maar weinig interesse hadden voor de negatieve gevolgen van roken voor de gezondheid (zwarte longen, hart- en vaatziekten). Jonge rokers werden echter wel getriggered door de gevolgen voor je liefdesleven (impotentie en verminderde vruchtbaarheid). De gesprekken met de jongeren resulteerden in de campagne: Kiss Better, speciaal ontwikkeld voor jonge rokers tussen de 15 en 25 jaar.

De boodschap van de Campagne: Zoenen is fijn, ook met een roker, maar een ‘frisse zoen’ is toch fijner. In de campagne koppelen ze effecten van roken aan de effecten van zoenen. Bijvoorbeeld: Veel mensen roken om stress te verminderen. Probeer eens een zoen, dit vermindert ook stress.

De Campagne loopt nog maar kort, dus over de effecten is nog niet veel te zeggen. Anette is echter hoopvol gezien de facebook pagina in korte tijd bijna 1800 volgers heeft, waarvan 69% tussen de 13 en 24 jaar oud. Dezelfde aantallen worden gezien voor Instagram.

Het is dus nog afwachten of de Campagne effect heeft en of het aanspreken van jongeren met het thema liefde en seks beter werkt dan de meer reguliere campagnes rondom gezondheid. Mochten er binnenkort resultaten zijn, dan zal ik deze met jullie delen.

Ben je benieuwd naar de Campagne? Bekijk dan hier de facebook pagina:

Deze RAD-blog werd geschreven door Joyce Dieleman (Trimbos Instituut/ Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

1. Department of Health and Human Services (2012). Preventing Tobacco Use Among Youth and Young Adults: A report of the Surgeon General. Atlanta, GA, U.S.: Department of Health and Human Services.
2. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (2016). Gezondheidsenquête. Afkomstig van,3-4,17-22&D2=3-13,16&D3=0&D4=I&VW=T
3. Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) (2017). Jongvolwassenen roken, drinken en blowen meer dan 25-plussers. Afkomstig van
4. National Institute for Health and Care Excellence (2009). School-based interventions to prevent the uptake of smoking among children and young people: cost-effectiveness review. Birmingham: NICE, University of Birmingham.

Sci-fly: Wat peuters en kleuters weten over alcohol en de rol van ouderlijk alcoholgebruik

Ouders spelen een belangrijke rol in de ontwikkeling van hun kinderen. Dit geldt ook met betrekking tot het alcoholgebruik dat vaak start in de vroege adolescentie. Maar zijn ouders ook verantwoordelijk voor alcoholgerelateerde cognities (kennis en normen) in de kindertijd? Ofwel, heeft het alcoholgebruik van ouders invloed op wat jonge kinderen weten over alcohol en wat zij weten over de normen rond alcoholgebruik? En, lopen jonge kinderen met alcoholgerelateerde cognities risico om eerder te beginnen met het drinken van alcohol en meer te gaan drinken in de adolescentie? Wetenschappers uit Australië zochten het uit.

Top-down View Of Male And Female Hands With Filled Glasses Of Wi

In deze studie werd onderzocht wat de invloed is van het alcoholgebruik van ouders en kenmerken van het familieleven op de kennis over alcohol en de normen rond alcoholgebruik van jonge kinderen (3-6 jaar).

Het onderzoek werd gehouden onder kinderen (= 214) van 3 tot en met 6 jaar en hun ouders (= 359) in het Franstalige deel van Zwitserland. Kinderen vulden de electronic Appropriate Beverage Task in en kregen tekeningen van volwassenen en kinderen te zien in 11 verschillende situaties. Daarnaast kregen zij 12 foto’s van drankjes te zien, waarvan 4 alcoholhoudend (bijvoorbeeld rode wijn) en 8 niet alcoholhoudend (bijvoorbeeld cola). De kinderen werden gevraagd de naam van ieder drankje te benoemen en aan te geven of er alcohol in zit (alcoholkennis). Ook kregen zij de opdracht om bij de personen in de tekeningen aan te geven wat zij dachten dat de personen zouden drinken (alcoholnormen). De ouders van de kinderen vulden vragenlijsten in over hun alcoholgebruik (bijvoorbeeld frequentie van alcoholgebruik) en kenmerken van het familieleven (bijvoorbeeld bezoek van kennissen).

– Het alcoholgebruik van ouders (frequentie en hoeveelheid) en volwassenen buiten de familiare context (kennissen) voorspellen de kennis en normen die jonge kinderen over alcohol(gebruik) hebben.
– Jonge kinderen weten meer over alcohol en de normen rond alcoholgebruik als a) ouders regelmatig drinken; b) ouders veel drinken; c) ouders drinken tijdens het eten; d) er regelmatig contact is met andere volwassen en e) de familie vaak jaarmarkten, feestjes of festivals bezoekt.
– Factoren die geen invloed hebben op de kennis en normen die jonge kinderen over alcohol(gebruik) hebben zijn a) binge drinken door ouders; b) televisie kijken door kinderen; en c) alleenstaande huishoudens.

Het huidige onderzoek suggereert dat kinderen die vaak worden blootgesteld aan het alcoholgebruik van volwassenen (niet alleen ouders, ook andere volwassenen) de indruk kunnen krijgen dat het drinken van alcohol normaal is. Ook kan het bijdragen aan de ontwikkeling van een positieve houding ten aanzien van alcohol (sociale normen) en positieve verwachtingen van alcoholgebruik (verwachtingen). Beide van deze alcoholgerelateerde cognities zijn gerelateerd aan het eerder beginnen met het drinken van alcohol en meer drinken in de adolescentie. Longitudinale onderzoeken zijn nodig om de invloed van alcoholkennis en –normen van jonge kinderen op alcoholinitiatie in de vroege adolescentie en vervolggebruik te meten.

Kuntsche, E., & Kuntsche, S. (2019). Parental drinking and characteristics of family life as predictors of preschoolers’ alcohol-related knowledge and norms. Addictive behaviors, 88, 92-98.

Deze sci-fly werd geschreven door dr. Carmen Voogt (Expertisecentrum Alcohol van het Trimbos-instituut/ Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Thuisbezorgd op het schoolplein

Steeds vaker laten jongeren ongezonde maaltijden bezorgen op middelbare scholen. Dit gebeurt vooral op scholen met een gezonde schoolkantine. Naast het feit dat het ongewenst is om ongezonde voeding op school te nuttigen, zouden bezorgers met scooters op het schoolplein voor overlast zorgen volgens de scholen. Verschillende scholen hebben het bestellen van maaltijden inmiddels verboden, maar dit zorgt weer voor andere problemen. Jongeren hebben toch de behoefte om ongezond te eten en zullen dit ergens anders gaan halen, bijvoorbeeld in de dichtstbijzijnde supermarkt.


Maar waarom hebben jongeren toch steeds die drang naar ongezonde voeding? Hoewel jongeren een positieve houding tegenover gezond eten en drinken hebben, lijken ze ook een positieve houding te hebben richting ongezonde voeding, zoals snacks, snoep, en dranken met veel suiker.Er bestaat vaak een discrepantie tussen de houding van jongeren en het eigen gedrag. Zo vinden de meeste jongeren het niet normaal om iedere dag frisdrank te drinken, maar doet het merendeel dit zelf (ongemerkt) wel.1 Uit onderzoek blijkt dat jongeren het vooral belangrijk vinden dat iets lekker smaakt. In een studie waarin onderzocht is of jongeren gezond eten belangrijk vinden, blijkt dat met name smaak erg belangrijk is.2 Wat ook meespeelt is dat gezondheidsproblemen wat verder van jongeren af staan, onder andere door hun leeftijd, wat het lastiger voor hen maakt om de link tussen ongezond eten en gezondheid te leggen. Gezondheid is een ver-van-hun-bedshow.2

Omdat jongeren op de middelbare school voor het eerst zelfstandig worden in wat ze eten en omdat ze vaak meer zakgeld krijgen hebben ze meer mogelijkheden om ongezonde keuzes te maken wat hun voeding betreft.3,4 Vanwege deze nieuwe autonomie kunnen jongeren zich tegen hun ouders gaan afzetten en op school juist dingen te eten die ze thuis niet mogen eten. Wanneer ouders thuis voor gezonde maaltijden zorgen hebben jongeren het gevoel dat dit hun ongezonde eetgedrag rechtvaardigt, want ze krijgen immers gezonde voeding binnen via deze maaltijden.2 Bij het kopen van voedsel tijdens schooltijden wordt vaker een meer bewuste keuze gemaakt.5 Een van de redenen hiervoor is dat dit eten met eigen geld gekocht wordt. Het is overigens niet een vaststaand gegeven dat “ongezonde” producten een beter imago hebben bij jongeren dan “gezonde” producten. Gezonde dure producten kunnen ook een goed imago hebben vanwege de hoge prijs of het luxe karakter.

Veel jongeren geven aan dat ze het lastig vinden verleidingen van ongezonde voeding te weerstaan. Er wordt aangegeven dat ouders en vrienden geen gezond voorbeeldgedrag vertonen en het kan deel uitmaken van de cultuur op school of in de vriendengroep om gezamenlijk ongezonde voeding te kopen en te consumeren.6,7 Het gebeurt ook nog wel eens dat geld bij elkaar wordt gelegd, waardoor overleg ontstaat tussen jongeren over de te kopen ongezonde producten. Bij jongeren kan dan ook meespelen dat er angst is om buiten de groep te vallen.8 Het bestellen van maaltijden kan een manier zijn om populair (proberen) te zijn. Er kan namelijk worden laten zien dat de jongere het geld heeft om onbekommerd te bestellen.  Het kan echter ook zijn dat het bestelgedrag van ongezonde maaltijden op school juist overgenomen wordt van anderen, zoals bijvoorbeeld ouders of vrienden. Veel mensen bestellen al hun benodigdheden online, naast maaltijden, ook hun boodschappen, kleding of boeken. Dit voorbeeld koopgedrag kan doorwerken naar jongeren op het schoolplein, waarbij het gemak van het online bestellen waarop staat.

Met het hedendaagse gemak om direct toe te geven aan ongezonde verleidingen via een app op je telefoon rijst de vraag of een gezonde schoolkantine dan nog wel nut heeft. Het kan natuurlijk niet voorkomen dat jongeren ongezond eten, maar het kan het zeker wel verminderen. Naast de thuisomgeving biedt een school een van de meest invloedrijke omgevingen voor jongeren en moet daarin de gezonde opties wel faciliteren.

Deze blog werd geschreven door Maaike Koning (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet. 

1. JOGG R. Pubers willen wel gezond leven, maar doen het niet. https://jongerenopgezondgewichtnl/userfiles/Nieuws/JUST_JOGG_TeamAlertRapport_NL4_defpdf.
2. Ridder MAM, Heuvelmans M, Visscher, T, Seidell, J. , Renders, C.M. . We are healthy so we can behave unhealthily : A qualitative study of the health behaviour of Dutch lower vocational students. Health Education 2010;110:30-42.
3. Ferris KA, Babskie E, Metzger A. Associations between food-related parenting behaviors and adolescents’ engagement in unhealthy eating behaviors: The role of nutrition knowledge. Int J Aging Hum Dev. 2017;84(3):231-46.
4. Lytle LA, Seifert S, Greenstein J, McGovern P. How do children’s eating patterns and food choices change over time? Results from a cohort study. Am J Health Promot. 2000;14(4):222-8.
5. Tacken GMLW, M.A. de; Veggel, R.J.F.M. van; Sijtsema, S.J.; Ronteltap, A.; Cramer, L.; Reinders, M.J. . Voorbij het broodtrommeltje ; Hoe jongeren denken over voedsel. Den Haag : LEI, onderdeel van Wageningen UR (Rapport / LEI : Onderzoeksveld Consumenten & gedrag ) – ISBN 9789086154784 – 134. 2010.
6. Salvy SJ, de la Haye K, Bowker JC, Hermans RC. Influence of peers and friends on children’s and adolescents’ eating and activity behaviors. Physiol Behav. 2012;106(3):369-78.
7. Salvy SJ, Kluczynski MA, Nitecki LA, O’Connor BC. Peer influence on youth’s snack purchases: a laboratory analog of convenience store shopping. Eat Behav. 2012;13(3):233-9.
8. Higgs S. Social norms and their influence on eating behaviours. Appetite. 2015;86:38-44.