Alcoholgebruik onder de 18: ‘ouders doen niet wat ze kunnen’

Dat jongeren onder de 18 niet mogen drinken is algemeen bekend. Toch geeft 25% van de jongeren tussen de 12 en 16 jaar aan in de afgelopen 4 weken gedronken te hebben1. Als het gaat om alcoholpreventie is er dus nog een hoop werk aan de winkel. In preventiebeleid spelen ouders vaak een belangrijke rol. ‘Is dit wel terecht?’, kunt u zich afvragen. Het antwoord is ‘ja’, want uit onderzoek blijkt dat ouders een aanzienlijke invloed hebben op het al dan niet gebruiken van alcohol door hun minderjarige kinderen2.

Foto_Lieke

Een aantal weken geleden nam ik deel aan een bijeenkomst die was bedoeld om een eerste stap te zetten in de richting van een nieuw preventiebeleid rondom alcohol in mijn gemeente. Ik, uitgenodigd vanwege mijn taken als vrijwilliger bij een jongerenstichting die feestjes organiseert, kon het echter niet laten deze bijeenkomst te beschouwen vanuit mijn oogpunt als toekomstig orthopedagoog. Gestart werd met het bespreken van de knelpunten die de aanwezigen rondom het onderwerp ervaarden. Menigeen wees met de vinger naar de rol van ouders: “ouders doen niet wat ze kunnen”. Maar doet deze stelling er wel toe en hebben ouders daadwerkelijk invloed op het alcoholgebruik van hun kinderen?

De invloed van ouders is groot, zo blijkt uit wetenschappelijk onderzoek. Of jongeren op jonge leeftijd (tussen de 13 en 15 jaar) beginnen met drinken heeft voor ruim 20% te maken met de erfelijke aanleg en meer dan 50% met de gezinsomgeving3.  Hoewel ouders erfelijke aanleg doorgeven en hier niets aan kunnen veranderen, spelen zij weldegelijk een rol in de gezinsomgeving. Naast de invloed op het beginnen met drinken, hebben ouders ook invloed op hoe vaak er wordt gedronken en of er buitensporig wordt gedronken3. De mate van de invloed van ouders blijft bij jongeren tussen de 12 en 18 jaar ongeveer gelijk4.

Welk gedrag van ouders heeft er dan precies invloed? Ten eerste, het eigen alcoholgebruik. Wanneer ouders zelf drinken en/of alcohol in huis hebben, vergroot dit het risico op alcoholmisbruik door hun kinderen5. Ten tweede, de communicatie van ouders naar hun kind toe. Jongeren drinken minder als ouders hen wijzen op de negatieve gevolgen van alcohol6. Echter, wanneer ouders toegeeflijk zijn of een goedkeurende houding uitstralen als het gaat om alcoholgebruik, drinken jongeren meer5,6.

Naast het eigen alcoholgebruik van ouders en de communicatie over alcohol, heeft ook de algemene opvoeding invloed op het alcoholgebruik van kinderen. Een zogeheten warme opvoeding, een hechte en liefdevolle ouder-kind relatie, kan problemen met alcohol voorkomen7. Daarnaast werkt een gezonde mate van monitoring preventief ten aanzien van alcoholmisbruik, ouders weten in dit geval wat hun kind waar doet en met wie5.

Concluderend, blijkt dat ouders een grote invloed hebben op het gedrag van hun minderjarige kinderen als het gaat om alcoholgebruik. Preventiebeleid met betrekking tot deze jongeren richt zich dan ook niet voor niets op de ouders. Of het nu gaat om beginnen met drinken, hoe vaak er wordt gedronken of buitensporig drinken, ouders hoeven niet doelloos toe te kijken.

Deze blog werd geschreven door Lieke Overvelde voor de cursus Recente Ontwikkelingen in Risicogedrag, master PWO, 2019.

Referenties
1. RIVM. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (2017). Alcoholgebruik scholieren naar geslacht. Verkregen van https://www.volksgezondheidenzorg.info/onderwerp/alcoholgebruik/cijfers-context/huidige-situatie#node-alcoholgebruik-scholieren-naar-leeftijd
2. Donaldson, C. D., Handren, L. M., & Crano, W. D. (2016). The enduring impact of parents’ monitoring, warmth, expectancies, and alcohol use on their children’s future binge drinking and arrests: A longitudinal analysis. Prevention science, 17(5), 606-614. doi:10.1007/s11121-016-0656-1
3. Vink, J. M. (2016). Zit middelengebruik en verslavingsgedrag in de familie? Over erfelijkheid en de zoektocht naar genen. Verslaving12(4), 243-255. doi:10.1007/s12501-016-0089-3
4. Schuler, M. S., Tucker, J. S., Pedersen, E. R., & D’Amico, E. J. (2019). Relative influence of perceived peer and family substance use on adolescent alcohol, cigarette, and marijuana use across middle and high school. Addictive Behaviors88, 99-105. doi:10.1016/j.addbeh.2018.08.025
5. Yap, M. B., Cheong, T. W., Zaravinos‐Tsakos, F., Lubman, D. I., & Jorm, A. F. (2017). Modifiable parenting factors associated with adolescent alcohol misuse: a systematic review and meta‐analysis of longitudinal studies. Addiction112(7), 1142-1162. doi:10.1111/add.13785
6. Kam, J. A., Basinger, E. D., & Abendschein, B. (2017). Do adolescent perceptions of parents’ alcohol consumption undermine or enhance what parents say about alcohol? The interaction between verbal and nonverbal messages. Communication Research44(3), 319-347. doi:10.1177/0093650214565922
7. Mak, H. W., & Iacovou, M. (2019). Dimensions of the Parent–Child Relationship: Effects on Substance Use in Adolescence and Adulthood. Substance Use & Misuse54(5), 724-736. doi:10.1080/10826084.2018.1536718

Lang leve de liefde! Jongeren, Middelengebruik en Relaties

Het is inmiddels overduidelijk dat getrouwde stellen een betere gezondheid hebben, minder alcohol en drugs gebruiken en langer leven1,2. Factoren zoals hechting uit de vroege jeugd, toewijding aan de relatie en de sensitiviteit van de partner kunnen hieraan ten grondslag liggen3. Letterlijk dus ‘Lang leve de liefde’!

Wanneer jongeren flink experimenteren met roken, alcohol en drugs tijdens de puberteit wordt door de omgeving wel eens gedacht dat dit over zal gaan als ze een vriendje of vriendinnetje zullen krijgen. Maar is dit daadwerkelijk zo? Gebruiken ook jongeren die een relatie hebben minder alcohol en drugs?

Picture-Wedding-Toast.jpg

Om deze vraag te kunnen beantwoorden zijn grootschalige studies nodig die jongeren voor een lange tijd volgen en daarbij regelmatig hun middelengebruik meten en vragen naar hun romantische relaties. Er zijn wereldwijd maar een paar studies die dit gedaan hebben. De resultaten van deze studies laten zien dat de voordelige effecten van het huwelijk op middelengebruik niet gelden voor jonge adolescenten (rond de 16 jaar). Relaties bij jonge adolescenten hangen namelijk juist samen met méér alcohol en drugs gebruik4,5. Op deze jonge leeftijd zijn er nog meer negatieve effecten van relaties gevonden; zo zijn jongeren die op deze leeftijd een relatie hebben ook vaker depressief.

Omdat deze studies de jongeren gevolgd hebben totdat ze ongeveer totdat ze ongeveer 25 jaar oud zijn, is het vooral interessant te zien hoe de samenhang tussen alcohol en drugs gebruik en romantische relaties verandert tijdens de ontwikkeling. Zo is gevonden dat meer alcohol gebruik rond de 16 jaar de kans vergroot dat je tijdens de vroege volwassenheid een langdurige relatie (of meerdere langdurige relaties) hebt. En beide studies laten vervolgens zien dat er tijdens de jongvolwassenheid een omslagpunt zit. Stabiele relaties tijdens de jongvolwassenheid zijn namelijk juist voorspellend voor een afname in alcohol en drugs gebruik. Deze resultaten laten zien dat het belangrijk is alcoholgebruik onder jongeren ook te bekijken in de context van normatieve ontwikkeling en te realiseren dat alcoholgebruik, ondanks de overduidelijke negatieve gezondheidseffecten, ook bij kan dragen aan positieve ontwikkelingsuitkomsten op latere leeftijd, zoals het hebben van een stabiele relatie.

Als we al deze resultaten willen verklaren is het belangrijk dit vanuit een ontwikkelingsperspectief te doen. In één van de studies4 is bewijs gevonden dat het belangrijk is dat het krijgen van de relatie op het juiste moment in de ontwikkeling komt. Als dit te vroeg komt, kan de relatie andere ontwikkelingsgebieden belemmeren en op die manier bijdragen aan een toename in middelgebruik en ander risicogedrag. Wanneer stabiele relaties later tijdens de ontwikkeling komen en dit beter past bij de ontwikkeling kan het juist zorgen voor positieve gezondheidsuitkomsten, zoals minder middelengebruik. Het is hierbij erg belangrijk niet naar de exacte leeftijd te kijken maar naar het individuele ontwikkelingspad. Sommige jongeren zijn op eerdere leeftijd klaar voor een langdurige relatie dan anderen.

Kortom, lang leven de liefde dus, maar dan alleen wanneer je klaar bent voor toegewijde liefde!

Deze blog werd geschreven door Maartje Luijten (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties
1. Robles, T. F., Slatcher, R. B., Trombello, J. M., & McGinn, M. M. (2014). Marital quality and health: A meta-analytic review. Psychological bulletin140(1), 140.
2. Staff, J., Schulenberg, J. E., Maslowsky, J., Bachman, J. G., O’Malley, P. M., Maggs, J. L., & Johnston, L. D. (2010). Substance use changes and social role transitions: Proximal developmental effects on ongoing trajectories from late adolescence through early adulthood. Development and psychopathology22(4), 917-932.
3. Slatcher, R. B., & Selcuk, E. (2017). A social psychological perspective on the links between close relationships and health. Current directions in psychological science26(1), 16-21.
4. Furman, W., & Collibee, C. (2014). A matter of timing: Developmental theories of romantic involvement and psychosocial adjustment. Development and Psychopathology26(4pt1), 1149-1160.
5. Rauer, A. J., Pettit, G. S., Samek, D. R., Lansford, J. E., Dodge, K. A., & Bates, J. E. (2016). Romantic relationships and alcohol use: A long-term, developmental perspective. Development and psychopathology28(3), 773-789.

Onderzoek in de school

Een aanzienlijk deel van het onderzoek naar middelengebruik en eetgedrag richt zich op jongeren. En dat is niet geheel toevallig. Uit onderzoek blijkt immers dat jongeren meer risicogedrag vertonen dan jongere kinderen en volwassenen. Zo wordt bijvoorbeeld het eerste glas alcohol in de meeste gevallen tijdens de adolescentie gedronken, en ook de eerste sigaret wordt vaak opgestoken in deze fase van het leven. Daarnaast gaan jongeren in deze ontwikkelingsfase steeds meer experimenteren met het eten van suiker- en/of vetrijke voeding, zoals de welbekende energiedrankjes en frikandelbroodjes.

Een groot aantal wetenschappelijke studies heeft al verschillende factoren geïdentificeerd die van invloed kunnen zijn op het middelengebruik en het eetgedrag van jongeren. Zo blijkt bijvoorbeeld de mate waarin jongeren hun impulsen kunnen onderdrukken en de mate waarin zij op zoek zijn naar spanning en sensatie in hun omgeving gerelateerd te zijn aan de mate waarin zij dergelijk risicovol gedrag laten zien. In de laatste jaren richt onderzoek zich echter steeds vaker niet enkel op deze individuele factoren van jongeren zelf, maar ook op de invloed van de omgeving waarin jongeren zich bevinden.

Eén van de belangrijkste omgevingen van jongeren is de schoolomgeving, een omgeving waar jongeren zich 5 dagen per week bevinden. Tijdens de lessen en de pauzes, maar ook buiten schooltijd om, brengen jongeren hier een steeds groter deel van hun tijd door met klasgenoten. Aangezien het voor jongeren erg belangrijk is om vriendschappen te sluiten, en om “erbij” te horen en geaccepteerd te worden door leeftijdgenoten, richt steeds meer onderzoek zich op de invloed van klasgenoten op het gedrag van jongeren. Bij dit type onderzoek ligt de focus zeker niet altijd enkel op de academische prestaties van jongeren, maar ook steeds vaker op middelengebruik van jongeren. Zo lijkt bijvoorbeeld het alcoholgebruik en het rookgedrag van jongeren samen te hangen met dat van hun van hun vrienden op school.

foto_scholen_netwerk.jpg

Om te onderzoeken of schoolvrienden ook het eetgedrag van jongeren beïnvloeden, hebben onderzoekers van het Behavioural Science Institute (BSI) van de Radboud Universiteit het “G(V)OED voor elkaar!” onderzoek opgezet. Middels vragenlijsten wordt bij jongeren op school nagevraagd hoe frequent ze bepaalde gezonde en ongezonde producten consumeren. Ook wordt nagegaan wie hun (beste) vrienden zijn in de klas. Zo kan onderzocht worden of het eetgedrag van jongeren en dat van hun (beste) vrienden gerelateerd zijn aan elkaar. Daarnaast wordt onderzocht of bepaalde typen jongeren meer ontvankelijk zijn voor de invloed van vrienden. Zo kan gedacht worden aan jongeren die een lager welbevinden ervaren of jongeren met ouders die minder regels hebben over het eetgedrag van hun kinderen. Voor dit onderzoek volgen we ongeveer 700 jongeren en hun ouders over de eerste jaren van de middelbare school, om ook eventuele veranderingen over de tijd in kaart te kunnen brengen. In het voorjaar van 2020 staat de vierde en laatste meetronde van dit onderzoek op de planning.

Naast dit type onderzoek naar middelengebruik en eetgedrag, wordt er binnen het BSI nog veel meer onderzoek gedaan naar gedrag binnen de schoolcontext. Zo wordt er onderzoek gedaan naar onder andere pestgedrag, de ontwikkeling van taalvaardigheden, de inclusie van leerlingen met beperkingen, en sombere en angstige gevoelens die jongeren kunnen ervaren. Aangezien dit onderzoek van grote relevantie kan zijn voor de praktijk en we graag onze samenwerking met scholen verduurzamen, presenteren we als BSI zijnde graag de “BSI Scholen Netwerk Middag” op 31 januari 2020. Een netwerkdag voor, door en samen met scholen rondom gedragsonderzoek bij kinderen en jongeren tot en met 18 jaar, waarop praktijkpartners worden uitgenodigd om een kijkje te nemen in de keuken van ons onderzoek. In verschillende interactieve informatiesessies komen diverse onderzoeksonderwerpen aan bod. Wilt u graag meer informatie over deze middag of wilt u zich graag aanmelden? Dan kunt u terecht op deze website. Wellicht tot dan!

Deze blog werd geschreven door Nina van den Broek (Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Alcoholvrije alternatieven opstapje naar ‘het echte werk’?

De opkomst van alcoholvrij bier en andere dranken die lijken op alcohol  is een grote trend in Nederland. Dit blijkt uit de komst van verschillende alcoholvrije bieren, radlers, ciders, wijnen en zelfs gin (vanaf hier: alcoholvrije alternatieven). De toename in consumptie van alcoholvrije alternatieven is eenvoudig te verklaren door de voordelen die hieraan hangen: na consumptie mag iemand nog steeds een auto besturen, alcoholvrije alternatieven kunnen gedronken worden door zwangere vrouwen en zijn over het algemeen gezonder, ondanks dat ze in toenemende mate lijken op (en smaken als) de alcoholische tegenhangers.

Naast de voordelen van de groeiende alcoholvrije markt, is het voor jongeren echter nog onbekend in hoeverre alcoholvrije alternatieven invloed hebben op alcoholgebruik. Een mogelijk gevolg van het drinken van alcoholvrije alternatieven is namelijk dat de opstap naar alcoholhoudende dranken kleiner wordt. Hier is nog weinig onderzoek naar gedaan, maar een studie vindt zijn oorsprong in Japan. Net als in Nederland zijn er in Japan geen regulaties van de consumptie van alcoholvrije alternatieven onder jongeren.

KERN
In deze studie werd onderzocht of jongeren meer alcohol gaan drinken als ze al ervaring hebben met alcoholvrije alternatieven. Ondanks dat dit paper enkele jaren oud is (2016) en de gegevens uit Japan komen, is dit één van de weinige onderzoeken die zich richt op de gevolgen van de opkomst van alcoholvrije alternatieven.

bike beer

METHODE
Voor deze studie vulden in totaal 100,050 jongeren tussen 12 en 18 jaar uit Japan (waarvan 51,587 jongens) eenmalig een vragenlijst in. Hierin werd gevraagd naar de consumptie van zowel alcoholhoudende dranken als alcoholvrije alternatieven. Als jongeren aangaven dat ze beide ‘soorten’ dranken al eens geconsumeerd hadden, werd er gevraagd naar de volgorde van consumptie (eerst alcoholvrij en dan alcoholhoudend of andersom).

VONDSTEN

  • De consumptie van alcoholvrije alternatieven bereikte een piek rond 15 jaar oud. Daarbij werd gevonden dat meisjes gemiddeld meer alcoholvrije alternatieven dronken dan jongens. Dit heeft mogelijk te maken met de Japanse cultuur (vaker intolerant ten opzichte van alcoholgebruik onder vrouwen) en marketing (advertenties zijn vaker gericht op uiterlijk en gezondheid).
  • Er werd gevonden dat de consumptie van alcoholvrije alternatieven geassocieerd was met de consumptie van alcoholhoudende dranken.
  • De volgorde van alcoholvrije alternatieven en alcoholische dranken werd vastgesteld. Het bleek dat voor alcoholgebruik vaker voorafging aan het consumeren van alcoholvrije alternatieven. Dit suggereert dat alcoholvrije alternatieven geen trigger zijn voor het drinken van alcoholische drankjes. Daarnaast bleek dat dit niet verschilde voor jongens en meisjes.
  • De proportie jongeren die alcoholvrije alternatieven eerder dronk was groter onder jongere studenten. De onderzoekers merken op dat het mogelijk is dat alcoholvrije alternatieven een ‘gateway’ zijn naar alcoholhoudende dranken.

De studie heeft verschillende beperkingen. Een belangrijk punt is dat deze studie specifiek is voor de Japanse cultuur: een land waar alcoholvrije alternatieven veel geconsumeerd worden en makkelijk te verkrijgen zijn.

Het stijgend aandeel van alcoholvrije alternatieven is ook in Nederland zichtbaar en maakt een studie als deze een belangrijk startpunt voor onderzoek in onze cultuur. Gebaseerd op deze studie zou het interessant zijn om bepalen of jongeren in Nederland een verhoogd risico lopen om eerder te beginnen met alcohol of om meer te gaan drinken, wanneer ze al op jongere leeftijd in aanraking zijn gekomen met alcoholvrije alternatieven.

DETAILS
Kinjo, A., Imamoto, A., Ikeda, M., Itani, O., Ohida, T., Kaneita, Y., … & Osaki, Y. (2016). The Association Between Alcohol-Flavoured Non-Alcoholic Beverages and Alcohol Use in Japanese Adolescents. Alcohol and Alcoholism52(3), 351-357.

Deze sci-fly werd geschreven door Koen Smit (Trimbos Instituut/ Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Ouderlijk welzijn in de opvoeding van jonge kinderen: A “two-way street” met implicaties voor gezondheidsinterventies

Vraag een ouder wat hem of haar het meest gelukkig maakt en het antwoord luidt: “Mijn kind(eren)!”. Er zijn inderdaad studies die aantonen dat ouders hogere welzijnscijfers rapporteren tijdens activiteiten met hun kind dan zonder hun kind.Echter, wanneer je de geluksniveaus van ouders met kinderen vergelijkt met die van hun kinderloze leeftijdgenoten, wordt een schril contrast zichtbaar. Ouders van kinderen, met name die van jonge kinderen, zijn over het algemeen minder gelukkig en ervaren vaker gevoelens van depressie en angst.Het krijgen en opvoeden van kinderen lijkt dus het welzijn van ouders te bepalen.

RADblog_Levie_Sept2019_foto

Omgekeerd bepaalt ouderlijk welzijn ook de opvoedingen dit heeft weer gevolgen voor de ontwikkeling en het welzijn van kinderen.Eerder onderzoek op het gebied van eetgedrag heeft aangetoond dat ouders met verminderd welzijn vaker specifieke opvoedtechnieken gebruiken die gerelateerd zijn aan overgewicht bij kinderen. Zo dwongen ouders met depressieve gevoelens hun kinderen vaker om hun eten op te eten, stond de tv in deze gezinnen tijdens het eten vaker aan, en aten kinderen van depressieve ouders minder vaak met het gezin aan tafel.Daarnaast gaven moeders met symptomen van depressie, angst of stress hun kind vaker eten als troost (emotioneel voeden) of beloning (instrumenteel voeden)en hadden gestreste moeders vaker kinderen die minder bewogen en meer stilzaten.7

Waarom passen ouders met verminderd welzijn vaker ongewenste opvoedtechnieken toe? Een mogelijke verklaring ligt in de beperkte psychologische beschikbaarheid en weerbaarheid van de ouders. Ouders met depressieve klachten bleken bijvoorbeeld voornamelijk bezig te zijn met hun eigen problemen.Somberheid, stress en angst maken het lastiger om aan te voelen wat een kind nodig heeft en om de opvoeding op deze behoeften af te stemmen. Sensitief ouderschap komt daardoor in het geding en automatische reactiepatronen liggen op de loer. Depressieve of gestreste ouders hebben misschien wel de intentie om niet toe te geven als het kind om snoep zeurt, maar staan niet in hun kracht om deze grens ook daadwerkelijk te verdedigen. Daarnaast is het denkbaar dat ouders die niet lekker in hun vel zitten zelf meer ongezond- en/of risicogedrag vertonen, zoals ongezond eten, weinig bewegen en roken, en hiermee een ongewenste voorbeeldfunctie voor hun kind vertonen.

Gegeven de relatie tussen ouderlijk welzijn en de ontwikkeling van het kind, kan het bevorderen van positief psychosociaal welzijn onder ouders mogelijk bijdragen aan het voorkomen van ongezonde en/of risicogedragingen en daaraan gerelateerde gezondheidsuitkomsten. Gezondheidsinterventies doen er daarom goed aan om te verkennen wat de mogelijkheden zijn tot het integreren van ouderlijk welzijn in hun programma. Enkele programma’s experimenteerden al met een geïntegreerde oudercomponent, zoals de Group Triple P obesitasinterventie. Deze module, gericht op stress en negatieve emoties in de opvoeding, werd door zowel ouders als professionals positief beoordeeld.9

Daarnaast loopt op de Radboud Universiteit het overgewichtpreventieprogramma Samen Happie!, waarin ook aandacht wordt besteed aan het welzijn van ouders. Een van de doelen van dit project is om te onderzoeken welke rol het welzijn van ouders speelt in de opvoeding die zij hun kind geven. Tegelijkertijd proberen we het welbevinden van ouders een boost te geven via oefeningen op het gebied van mindful ouderschap, positieve emoties en stressreductie. Deze krijgen ouders aangeboden via de Samen Happie! app en ouderbijeenkomsten. Op 28 november 2019 vindt bij de Radboud Universiteit het mini symposium “Gezond opvoeden: Hoe help je ouders op weg?” plaats, waarin het Samen Happie! project uitgebreid aan bod zal komen. Het volledige programma voor die middag vind je hier. Wil je op de hoogte blijven van het project of meer informatie ontvangen? Stuur dan een mailtje naar samenhappie@ru.nlof meld je aan voor het symposium.

Deze blog werd geschreven door Levie Karssen (junior onderzoeker bij het Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

1. Musick, K., Meier, A., & Flood, S. (2016). How parents fare: Mothers’ and fathers’ subjective wellbeing in time with children. American Sociological Review, 81, 1069-1095.
2. Herbst, C. M., & Ifcher, J. (2016). The increasing happiness of US parents. Review of Economics of the Household14, 529-551.
3. Wilson, S., & Durbin, C. E. (2010). Effects of paternal depression on fathers’ parenting behaviors: A meta-analytic review. Clinical Psychology Review30, 167-180.
4. Kuckertz, J. M., Mitchell, C., & Wiggins, J. L. (2018). Parenting mediates the impact of maternal depression on child internalizing symptoms. Depression and Anxiety35, 89-97.
5. Goulding, A. N., Rosenblum, K. L., Miller, A. L., Peterson, K. E., Chen, Y. P., Kaciroti, N., & Lumeng, J. C. (2014). Associations between maternal depressive symptoms and child feeding practices in a cross-sectional study of low-income mothers and their young children. International Journal of Behavioral Nutrition and Physical Activity11, 75.
6. Rodgers, R. F., Paxton, S. J., McLean, S. A., Campbell, K. J., Wertheim, E. H., Skouteris, H., & Gibbons, K. (2014). Maternal negative affect is associated with emotional feeding practices and emotional eating in young children. Appetite80, 242-247.
7. O’Connor, S. G., Maher, J. P., Belcher, B. R., Leventhal, A. M., Margolin, G., Shonkoff, E. T., & Dunton, G. F. (2017). Associations of maternal stress with children’s weight‐related behaviours: A systematic literature review. Obesity Reviews18, 514-525.
8. Murray, L., Kempton, C., Woolgar, M., & Hooper, R. (1993).  Depressed mothers’ speech to their infants and its relation to infant gender and cognitive development. Journal of Child Psychology and Psychiatry34, 1083– 1101.
9. Van Mourik, K., Crone, M. R., & Reis, R. (2018). Relevance of the intervention module “Coping with stress and unhelpful emotions” for parents living in multi-ethnic deprived neighborhoods. Children and Youth Services Review, 88, 426-433.

Sci-fly: Nicotineverslaving – onderzoek naar de neurobiologische risicofactoren

De meest voorkomende verslaving onder jongeren is die aan sigaretten, ofwel nicotine. Sigaretten zijn, in vergelijking tot andere drugs, eenvoudig te verkrijgen en daardoor komt experimenteren met roken onder jongeren veel voor. Terwijl sommige jongeren gemakkelijk van de sigaretten af kunnen blijven nadat ze een aantal keer gerookt hebben, lijkt dit voor anderen veel moeilijker. Waarom zijn sommige jongeren gevoeliger voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving in vergelijking tot anderen? Onderzoek naar de onderliggende neurobiologische risicofactoren kan inzicht geven.

Uit eerder onderzoek weten we dat drugs gerelateerde beloningen (bijvoorbeeld een sigaret of een pakje sigaretten) zorgen voor een verhoogde activiteit in het beloningsgebied in de hersenen van verslaafde volwassenen. Niet-drugs gerelateerde beloningen, zoals geld, zijn juist minder interessant en resulteren in verminderde activiteit. Eerder onderzoek was met name gefocust op volwassenen, maar deze studie was een van de eerste studies die dit fenomeen testte in adolescenten.

KERN
De onderzoekers vonden dat het beloningsgebied in de hersenen van jongeren die roken minder actief is bij het zien van alledaagse beloningen, zoals geld, in vergelijking met jongeren die niet roken. Deze verminderde activatie van het beloningsgebied voor alledaagse beloningen werd zelfs waargenomen in jongeren die in hun leven slechts 10x gerookt hebben. Verminderde activiteit in het beloningsgebied van het brein voor alledaagse beloningen is dus mogelijk een risico factor voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving.

rokers brein beloning geld

ONDERZOEKSMETHODE
Het doel van deze studie was om meer inzicht te krijgen in de neurobiologische risicofactoren verantwoordelijk voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving. Om dit te onderzoeken werden 43 jongeren die roken vergeleken met 43 jongeren die niet roken. Met behulp van fMRI werd gekeken hoe het brein reageert op alledaagse beloningen (geld) en of er verschillen zijn tussen de 2 groepen in de activatie van het beloningsgebied in het brein. Er werd ook gekeken of de activatie in het beloningsgebied van het brein gerelateerd is aan het aantal sigaretten dat iemand gemiddeld genomen rookte in de maand voorafgaand aan het onderzoek. Daarnaast werd een kleine groep van milde rokers (14 jongeren, die minder dan 10x gerookt hebben in hun leven) vergeleken met de groep rokers.

VONDSTEN
Het beloningsgebied in de hersenen van de rokers in vergelijking tot de niet-rokers was minder actief voor alledaagse beloningen.

  • De activatie in dit gebied hing samen met het aantal sigaretten dat iemand gemiddeld genomen had gerookt in de maand voorafgaand aan het onderzoek. Dat wil zeggen dat hoe vaker iemand gemiddeld genomen rookte in de afgelopen maand, hoe lager de activiteit in het beloningsgebied.
  • De verminderde activiteit in het beloningsysteem werd ook waargenomen in de groep jongeren die minder dan 10 keer in hun leven gerookt hadden. Op basis van dit resultaat suggereren de onderzoekers dat jongeren die minder gevoelig zijn voor geld beloningen (minder activiteit in het beloningsgebied in de hersenen bij het zien van geld beloningen) mogelijk vatbaarder zijn voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving. Omdat de jongeren slechts 10x of minder gerookt hebben in hun leven, zijn de veranderingen in de activiteit van het brein niet het gevolg van chronisch nicotine gebruik. Deze data wijst erop dat verminderde activiteit in het beloningsgebied juist resulteert in roken. Echter, meer longitudinaal onderzoek is nodig om dit verder te onderzoeken.
  • De huidige studie suggereert dat verminderde activiteit in het beloningsgebied voor alledaagse beloningen mogelijk een risico factor is voor het ontwikkelen van een nicotine verslaving.

DETAILS
Peters, J., Bromberg, U., …, Büchel, C. (2011). Lower  ventral striatal activation during reward anticipation in adolescent smokers. Am J Psychiatry,  168(5):540-9.

Deze sci-fly werd geschreven door Joyce Dieleman (Trimbos Instituut/ Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

‘Een wijntje drinken tijdens de zwangerschap, ik doe het soms…’

‘Geen alcohol drinken vóór, tijdens en ná de zwangerschap als je borstvoeding geeft’, het lijkt een vanzelfsprekend advies van de Gezondheidsraad1 gezien de negatieve gezondheidsgevolgen voor het ongeboren kind. Echter, uit de cijfers over alcoholgebruik vóór en tijdens de zwangerschap van de Monitor Middelengebruik en Zwangerschap – uitgevoerd door het Trimbos-instituut in 2016 en 20182 – blijkt dit advies voor sommigen moeilijker uitvoerbaar dan je zou denken, zeker onder hoogopgeleide Westerse vrouwen.

Alcohol vóór de zwangerschap
Hoewel de meerderheid van de vrouwen geen alcohol drinkt vanaf het moment dat ze weten dat ze zwanger zijn, heeft 44% van de vrouwen in de vier weken vóór de zwangerschap alcohol gedronken. Van de vrouwen die vóór de zwangerschap alcohol hebben gedronken, dronk 1,7% (bijna) dagelijks, 37% wekelijks, 42% enkele keren en 19% enkele slokjes. Het gaat dan om gemiddeld minder dan twee glazen per keer.2 Vooral 30-34 jarige vrouwen drinken alcohol vóór de zwangerschap en lopen daarmee een verhoog risico op een miskraam en foetale sterfte.3

Alcohol tijdens de zwangerschap
Vanaf het moment dat vrouwen weten dat ze zwanger zijn, vind er een daling plaats van het alcoholgebruik tot 4,2%. Het gaat dan in de meeste gevallen om het drinken van een slokjes alcohol. Vrouwen die alcohol drinken tijdens de zwangerschap lopen een verhoogd risico op miskramen, foetale sterfte en vroeggeboorte van het ongeboren kind. Daarnaast kan het geboren kind een laag geboortegewicht hebben en een achterstand in de motorische ontwikkeling oplopen. Bovendien wordt de kans op het Foetaal Alcohol Syndroom (FAS) groter als vrouwen overmatig drinken (i.e., > 14 glazen per week) of binge drinken (i.e., het drinken van ≥ 5 glazen per gelegenheid).2 Kinderen met FAS kunnen blijvende mentale en fysieke problemen hebben.4

Alcohol ná de zwangerschap
Nederlandse prevalentiecijfers omtrent het alcoholgebruik bij vrouwen die borstvoeding geven ontbreken. Er wordt geschat dat ongeveer de helft van de Westerse vrouwen die borstvoeding geven alcohol drinkt.5 Het geboren kind die via borstvoeding alcohol binnen heeft gekregen, drinkt niet alleen minder moedermelk, maar krijgt ook een ander slaap- waakritme. Er wordt aanbevolen om direct na het drinken van één standaardglas alcohol (i.e., bevat 10 gram ethanol in Nederland) gedurende drie uur geen borstvoeding te geven en geen moedermelk af te kolven voor latere voedingen. Bij het drinken van meer glazen alcohol wordt de duur van die periode langer (i.e., het aantal standaardglazen * drie uur = tijd geen borstvoeding/kolven).3

Alcoholvrij Zwanger
Heb je het warm gekregen met je groeiende buik of lacterende borsten na het lezen van bovenstaande, check dan de gratis cursus ‘Alcoholvrij Zwanger’: www.alcoholvrijzwanger.nl. Deze cursus richt zich op zwangere vrouwen die meer willen weten over alcohol tijdens de zwangerschap en biedt informatie, filmpjes, vragen en persoonlijke adviezen. Hoewel jouw geheugen je nu wellicht soms in de steek laat, onthoud dat geen alcohol drinken vóór, tijdens en ná de zwangerschap het beste is voor de gezondheid van jouw (ongeboren) kind.

Foto_zwanger_alcohol.jpg

Meer weten over Alcohol en Zwangerschap? Check de website van het Expertisecentrum Alcohol waar betrouwbare en toegankelijke wetenschappelijke kennis omtrent alcohol en alcoholpreventie voor professionals wordt gegeven: https://expertisecentrumalcohol.trimbos.nl/

Deze blog werd geschreven door Carmen Voogt (Trimbos-instituut en Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.

Referenties

  1. Gezondheidsraad (2015). Richtlijnen goede voeding 2015. Den Haag: Gezondheidsraad.
  2. Tuithof, M., Siauw, R., van Dorsselaer, S., & Monshouwer, K. (2017). Factsheet Monitor Zwangerschap en Middelengebruik. Utrecht: Trimbos-instituut.
  3. Gezondheidsraad (2005). Risico’s van alcoholgebruik bij conceptie, zwangerschap en borstvoeding. Den Haag: Gezondheidsraad
  4. Popova, S., Lange, S., Shield, K., Mihic, A., Chudley, A. E., Mukherjee, R. A., … & Rehm, J. (2016). Comorbidity of fetal alcohol spectrum disorder: a systematic review and meta-analysis. The Lancet, 387(10022), 978-987.
  5. Haastrup, M. B., Pottegård, A., & Damkier, P. (2014). Alcohol and breastfeeding. Basic & clinical pharmacology & toxicology, 114(2), 168-173.

Sci-fly: Cannabisgebruik verminderen, maar niet stoppen – behulpzaam of niet?

Onderzoek naar de behandeling van verslavingen focust zich normaliter op onthouding van middelen – volledig stoppen met iets gebruiken, om vervolgens te kunnen herstellen. Tot voor kort werd er niet of nauwelijks gekeken naar de verminderingvan middelengebruik, en hoe dit in verhouding staat met onthouding. Als een verslaafd persoon simpelweg minder gaat gebruiken, kan hij/zij daar dan de vruchten van plukken? Of houdt diegene zichzelf hiermee voor de gek? De verminderingsstrategie wordt vaak afgeraden in de behandeling (ten voordele van de onthoudingsstrategie). Desondanks kunnen er positieve effecten verbonden zijn aan de verminderingsstrategie, bijvoorbeeld voor de fysieke en mentale gezondheid. Als iemand deze voordelen ervaart, zou het misschien zelfs motiverend kunnen werken bij het afbouwen van middelengebruik, of om de vervolgstap te zetten naar volledige onthouding.

plaatje_vermindering.png

KERN
– In dit onderzoek werden (ex-)cannabisverslaafden verdeeld in drie groepen op basis van hun recente middelengebruik: 1) onthouding, 2) licht gebruik, en 3) zwaar gebruik.
– Deze groepen werden vervolgens vergeleken op verschillende maten van fysieke en mentale gezondheid.
– De onthoudingsgroep en de lichtgebruikers rapporteerden betere uitkomsten op fysieke en mentale gezondheid dan de zwaargebruikers. Dit gold bijvoorbeeld voor de algemene gezondheid, eetlust, en symptomen van depressie- of angststoornissen.

ONDERZOEKSMETHODE
Deze studie onderzocht of een verminderde mate van cannabisgebruik gerelateerd zou zijn aan positieve gezondheidsuitkomsten, in vergelijking met zwaar gebruik of onthouding. Zulke uitkomsten zouden een positieve bijdrage kunnen leveren aan het behandelingsproces – bijvoorbeeld om mensen te motiveren, of als volledige onthouding (nog) onmogelijk is. Een groep Amerikaanse onderzoekers heeft hiervoor vragenlijstonderzoek gedaan bij 111 mensen met een geschiedenis van problematisch cannabisgebruik (denk hierbij bijvoorbeeld aan deelnemers van Marijuana Anonymous bijeenkomsten in de VS). Op basis van hun gebruiksgeschiedenis van de afgelopen 30 dagen werden zij verdeeld in drie groepen: 1) de onthoudingsgroep, 2) lichtgebruikers (3 of minder dagen per week) en 3) zwaargebruikers (>4 dagen per week). Deze drie groepen werden vergeleken op verschillende maten van fysieke en mentale gezondheid.

VONDSTEN
– Over het algemeen scoorden zwaargebruikers van cannabis het slechtst van alle groepen.
– De verschillen tussen de onthoudingsgroep en de lichtgebruikers waren klein en statistisch niet-significant.
– In verhouding tot de zwaargebruikers, hadden de onthoudingsgroep en de lichtgebruikers betere scores op algemene gezondheid, eetlust en depressie.
– Volledige onthouding was daarnaast nog gerelateerd aan een hogere slaapkwaliteit en minder angstsymptomen.
– Verminderd cannabisgebruik wordt dus geassocieerd met een aantal positieve gezondheidsuitkomsten, in verhouding tot zwaar gebruik (>4 dagen per week)

Verminderd cannabisgebruik lijkt dus enkele voordelen met zich mee te brengen, maar onderzoeken over langere periodes zijn nodig om deze stelling verder te kunnen bevestigen. Daarnaast is het nog onbekend in hoeverre dit motiverend zou kunnen werken bij het stopproces.

DETAILS
Mooney, L. J., Zhu, Y., Yoo, C., Valdez, J., Moino, K., Liao, J. Y., & Hser, Y. I. (2018). Reduction in Cannabis Use and Functional status in physical health, mental health, and Cognition. Journal of Neuroimmune Pharmacology13(4), 479-487

Deze sci-fly werd geschreven door Dennis Trommelen, masterstudent Behavioral Science Institute, Radboud Universiteit Nijmegen.

Drieling dol op Chinees eten – is voedselvoorkeur erfelijk bepaald?

Vorige week heb ik de indrukwekkende documentaire ‘Three Identical Strangers’ gezien. Deze documentaire gaat over 3 jongens die vlak na de geboorte geadopteerd zijn door drie verschillende gezinnen. Ze weten niets van elkaars bestaan. Totdat één van de jongens op 19-jarige leeftijd naar een nieuwe school gaat en daar door iedereen ‘herkend’ wordt. Zijn dubbelganger bleek het jaar daarvoor op die school gezeten te hebben. Ze ontdekken dat ze tweelingbroers zijn. Dit wordt groot nieuws en staat in alle kranten. Een leeftijdsgenoot ziet in de krant een foto staan van twee jongens die als twee druppels water op hemzelf lijken. Hij blijkt broer nummer drie te zijn… ze zijn een identieke drieling (zie foto1)! Het wordt een enorm mediacircus. Ze zijn te gast in talkshows, geven interviews en iedereen vindt het een geweldig verhaal. De gelijkenissen worden benadrukt, hun uiterlijk is identiek, hun gebaren zijn hetzelfde, ze roken hetzelfde merk sigaretten en ze houden alle drie van Chinees eten… Later blijken er ook wel verschillen te zijn, en de rest van de documentaire laat een droeviger verhaal zien2.

foto-three-identical-strangers.jpg

Een belangrijk onderdeel van de documentaire is de vraag waarom deze drie jongens in drie verschillende gezinnen werden geplaatst. Waarom konden ze niet bij elkaar blijven en samen opgroeien? En waarom wisten de jongens (en hun adoptie ouders) niet van het bestaan van de broers? In de documentaire is te zien dat het adoptiebureau de ontwikkeling van de jongens nauwgezet volgde. Tegen de adoptieouders werd gezegd dat ze wilden kijken of adoptiekinderen zich hetzelfde ontwikkelen als niet-geadopteerde kinderen. Echter, uit de documentaire blijkt dat de scheiding van de drieling onderdeel was van een psychologisch experiment van psycholoog Peter Neubauer3, die met dit experiment antwoord hoopte te vinden op de nature (aangeboren) versus nurture (aangeleerd) kwestie. Door genetisch identieke personen te plaatsen in verschillende omgevingen zou je kunnen zien wat belangrijker is voor hun ontwikkeling: hun erfelijke aanleg of de opvoeding. Een bizar en onethisch experiment wat in deze tijd ondenkbaar is.

Gelukkig zijn er andere manieren om de nature – nurture vraag te beantwoorden, bijvoorbeeld door het vergelijken van eeneiige en twee-eiige tweelingparen die samen in hetzelfde gezin opgegroeid zijn en op vrijwillige basis deelnemen aan wetenschappelijk onderzoek. Als eeneiige (genetisch identieke) tweelingparen meer op elkaar lijken dan twee-eiige tweelingparen (die de helft van hun genen delen) speelt erfelijke aanleg (ook) een rol. Op deze manier zijn al vele vragen beantwoord over de rol van erfelijke aanleg en opvoeding bij persoonlijkheid en gedrag (zie bijvoorbeeld een eerdere blog over rookgedrag4).

Momenteel buigen we ons over de vraag in hoeverre erfelijke aanleg een rol speelt bij de voorkeur voor bepaald voedsel. Lust je graag spruitjes? Of is sushi je lievelingseten? Engels onderzoek laat zien dat er voedingsclusters zijn (bijvoorbeeld fruit, vlees, sterke kruiden of zoete snacks) waar sommige mensen hoog in scoren en andere mensen lager, en dat erfelijke aanleg een rol speelt bij deze voorkeuren5. De drie jongens in de documentaire waren alle drie dol op Chinees eten. Is dat toeval? Op de avond dat ik de film ‘Three Identical Strangers’ bekeek at ik van te voren een hapje met Dorret Boomsma (oprichter van het NTR: Nederlands Tweelingen Register6), haar dochter en twee eeneiige tweelingparen: Kirsten (de student die het voedselvoorkeur onderzoek uitvoert) en haar tweelingzus Carmen, en Erik en Peter (net als de drieling in de film zijn Erik en Peter opgegroeid in verschillende gezinnen en hebben ze elkaar pas later leren kennen). Beide tweelingparen bestelden hetzelfde drankje, maar ze namen wel iets anders te eten… Kunnen we hier conclusies uit trekken? Om valide conclusies te trekken over de vraag of erfelijke aanleg een rol speelt bij voedselvoorkeur zijn zeer grote samples en betrouwbare vragenlijsten nodig. In samenwerking met het NTR analyseren we momenteel de rol van erfelijke aanleg bij voedselvoorkeur in bijna 8000 volwassen tweelingen. Laten we de resultaten van deze grote en valide studie maar afwachten voordat we conclusies trekken!

Deze blog is geschreven door Prof. dr. Jacqueline Vink (Behavioural Science Institute, Radboud Universiteit) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs & dieet.

Referenties
1. Bron foto: http://moveablefest.com/tim-wardle-three-identical-strangers/
2. Zie o.a. https://www.volkskrant.nl/cultuur-media/three-identical-strangers-is-onrustbarende-en-droeve-film-over-menselijke-fascinatie-voor-het-meerlingschap~bd6734a7/
3. Wikipedia pagina over Peter Nuebauer: https://en.wikipedia.org/wiki/Peter_B._Neubauer
4. Blog: https://rad-blog.com/2016/06/13/roken-op-world-no-tobacco-day/
5. Sharafi M, Lachance G, Pirastu N, Mohney RP, MacGregor A, Feskens EJ, Duffy V, Spector TD, Menni C. Food Preference Patterns in a UK Twin Cohort. Twin Res Hum Genet. 2015 Dec;18(6):793-805.
6. Website Nederlands Tweelingen Register: https://tweelingenregister.vu.nl/

Rookgedrag bij zwangere vrouwen

Roken en meeroken zijn schadelijk voor je gezondheid. Maar wat zijn de gevolgen van roken rond de zwangerschap? Voorafgaand aan de zwangerschap is de kans om zwanger te worden kleiner als een vrouw/haar partner regelmatig een sigaret opsteekt. Roken tijdens de zwangerschap verhoogt de kans op ernstige gevolgen voor het ongeboren kind, zoals een miskraam, vroeggeboorte of een laag geboortegewicht. Na de zwangerschap kan de baby nicotine binnenkrijgen via borstvoeding of worden blootgesteld aan rokers in de omgeving (meeroken).

In de afgelopen tijd zijn er veel stoppen met roken methodes opgezet en getest, sommigen bleken effectief, anderen waren minder succesvol. Om deze stoppen met roken methodes beter te kunnen laten aansluiten bij de doelgroep, is het belangrijk dat we meer zicht hebben op zowel de risicofactoren (wat maakt dat vrouwen blijven roken rond de zwangerschap?) als de beschermende factoren (wat maakt dat vrouwen stoppen met roken rond de zwangerschap?). Deze studie zocht dit uit!

KERN
Het is essentieel dat de partner stopt met roken voorafgaand aan de zwangerschap en dat hij/zij niet rookt tijdens de zwangerschap. Rookt de partner wel tijdens de zwangerschap, dan dient deze na de bevalling te stoppen met roken.

Gezondheidsbevorderaars en preventiewerkers dienen het rookgedrag van zowel de zwangere vrouw als haar partner bespreekbaar te maken en deze hulpverleners kunnen stellen waar nodig verwijzen naar een effectieve stoppen met roken methode.

ONDERZOEKSMETHODE
Het doel van deze studie was om meer inzicht te krijgen in risico- en beschermende factoren voor vrouwen die:

  • Roken voor de zwangerschap
  • Roken tijdens de zwangerschap
  • Succesvol stoppen tijdens de zwangerschap
  • Terugvallen in rookgedrag na de bevalling

In totaal vulden 1858 Nederlandse vrouwen vragenlijsten in over hun middelengebruik (roken, alcohol- en drugsgebruik) voor, tijdens en na de zwangerschap. De onderzoekspopulatie werd geworven bij consultatiebureaus en bestond uit moeders (gemiddeld 32 jaar) van jonge kinderen (jongste kind jonger dan 5 jaar). De Monitor werd uitgevoerd bij 46 consultatiebureaus, verspreid over 35 Nederlandse steden. In de analyses werd het rookgedrag van vrouwen rond de zwangerschap uitgezet tegen sociaal demografische factoren, middelengebruik, rookgedrag van de partner en hulp bij stoppen met roken.

VONDSTEN

Foto_roken_zwangerschap-2042210636-1557847660388.png

  • Roken voor de zwangerschap hangt samen met:
    • laag of gemiddeld opleidingsniveau
    • alleen wonen
    • alcoholgebruik voor de zwangerschap
    • cannabisgebruik voor de zwangerschap
    • rokende partner
  • Roken tijdens de zwangerschap hangt samen met:
    • laag of gemiddeld opleidingsniveau
    • alleen wonen
    • geen alcoholgebruik voor de zwangerschap
    • rokende partner
  • Succesvol stoppen tijdens de zwangerschap hangt samen met:
    • hoog opleidingsniveau
    • alcoholgebruik voor de zwangerschap
    • weinig contact met hulpverleners over stoppen met roken
    • minder gebruik van stoppen met roken methode
  • Terugval in rookgedrag na de bevalling hangt samen met:
    • rokende partner

DETAILS
Scheffers-van Schayck, T., Tuithof, M., Otten, R., Engels, R., & Kleinjan, M. (2019). Smoking Behavior of Women Before, During, and after Pregnancy: Indicators of Smoking, Quitting, and Relapse. European Addiction Research, 25, 132-144.

Deze sci-fly werd geschreven door Pauline Geuijen (Radboudumc) voor RAD-blog, het blog over roken, alcohol, drugs en dieet.